De Reschenpas is al geruime tijd een van de belangrijkste noord-zuidverbindingen over de Alpen. Al voor de Romeinse Tijd verbond de pas als steil bergpad het Inndal in het noorden met de Vinschgau in het zuiden. De Reschenpas maakte deel uit van de rond het jaar 50 geopende Romeinse weg Via Claudia Augusta, die al gauw de belangrijkste verkeersader tussen Italië en Augsburg werd. Zowel gedurende de Middeleeuwen als aan het begin van de Nieuwe Tijd bleef het, naast de bergpassen in het Zwitserse kanton Graubünden tot de belangrijkste Alpenovergangen behoren. Tegenwoordig is de Brennerpas voor het verkeer veel belangrijker, als gevolg van de daar aangelegde autosnelweg.

Vanaf de Romeinse tijd tot 1854 vormde de brug over de Inn bij Finstermünz ten noorden van Nauders een tolovergang. Als overblijfsel uit de wereldoorlogen uit de 20e eeuw zijn langs het traject van de Reschenpas nog talrijke bunkers te vinden.

Tussen 1948 en 1950 werd aan de Italiaanse zijde van de Reschenpas door de bouw van een stuwdam het Reschenmeer gevormd, waardoor het oorspronkelijke dorp Graun (Alt-Graun) onder water kwam te staan. De kerktoren van het vroegere dorp is hiervan de stille getuige.

De weg over de Reschenpas is tussen 1850 en 1854 gebouwd onder leiding van Carl Ritter von Ghega, die ook het ontwerp en de bouw van de Semmeringspoorlijn voor zijn rekening nam. Samen met Joseph Duile legde hij het traject tussen de vesting bij Nauders tot aan de Katejansbrücke aan. Meerdere plannen voor de aanleg van een spoorlijn over de Reschenpas (de Reschenscheideckbahn) kwamen nooit van de grond. De straat is heden ten dage door meerdere tunnels en galerijen beschermd tegen lawines.